Je kind worstelt met lezen en je vraagt je af of er meer aan de hand is. Wat in groep 3 normaal is, welke signalen je serieus neemt, wat de school doet en wanneer een dyslexieonderzoek mogelijk is.
In groep 3 zit er veel verschil tussen kinderen. De een leest in januari al korte zinnen, de ander hakt dan nog elk woord in stukjes. Dat is meestal geen probleem maar een verschil in tempo, en het loopt vaak vanzelf bij.
Ook raden, letters omdraaien en langzaam lezen horen bij het begin. Belangrijker dan waar je kind nu staat, is of het vooruitgaat. Een kind dat langzaam maar gestaag beter wordt, is op de goede weg.
Geen van deze signalen zegt op zichzelf iets. Het wordt pas een reden om aan de bel te trekken als er meerdere tegelijk spelen, en als het maanden aanhoudt terwijl er goed geoefend wordt.
De leerkracht ziet je kind elke dag lezen en kan vergelijken met de rest van de klas. Vraag hoe het op school gaat, wat de laatste toetsen lieten zien en of er al extra hulp is. Vaak herkent de leerkracht wat je thuis ziet, en dan kun je samen optrekken.
Denk ook aan ogen en oren
Een kind dat slecht ziet of klanken niet goed hoort, heeft het moeilijk met lezen zonder dat er iets met lezen zelf aan de hand is. Laat dat bij twijfel nakijken; het is snel uitgesloten.
Scholen volgen hun leerlingen met toetsen, meestal halverwege en aan het eind van het schooljaar. Blijft een kind achter, dan krijgt het extra hulp: eerst in de klas, en als dat niet genoeg is, gerichter en vaker, soms een-op-een. De school legt vast wat er is gedaan en wat het opleverde, in het leerlingdossier.
Dat dossier is belangrijk. Het laat zien of een achterstand hardnekkig is, en het is de basis als er later een dyslexieonderzoek nodig is.
Onderzoek en behandeling worden vergoed door de gemeente als een kind voldoet aan de voorwaarden voor Ernstige Dyslexie (vroeger heette dat ernstige enkelvoudige dyslexie). Die voorwaarden zijn streng, en dat is met opzet: veel leesproblemen in groep 3 lossen zich met hulp op.
Op drie toetsmomenten achter elkaar scoort je kind bij de laagste 10 procent, een E-score. Daarbij wordt gekeken naar tempo en nauwkeurigheid, bijvoorbeeld met de DMT.
Tussen die toetsmomenten heeft je kind telkens 10 tot 12 weken intensieve extra hulp gehad. Blijft de score laag, dan heet de achterstand hardnekkig.
De school zet alles in het leerlingdossier. Een zorgaanbieder die dyslexieonderzoek doet, beoordeelt dat dossier voordat het onderzoek begint.
Er is geen vaste groep waarin dat moet, maar omdat er drie meetmomenten nodig zijn met telkens een periode hulp ertussen, valt een aanmelding in de praktijk meestal niet voor groep 4. Voldoet je kind niet aan de voorwaarden en wil je toch duidelijkheid, dan kan een particulier onderzoek, dat je zelf betaalt.
Wat een E-score en de DMT precies zijn, staat bij leesniveau in groep 3.
Of er nu dyslexie speelt of niet: oefenen helpt. Een paar dingen maken het verschil.
De app stelt geen dyslexie vast en vervangt geen hulp van school of een specialist. Wat hij wel doet: elke dag kort oefenen met letters, klanken en woordjes, op het tempo van je kind, en letters die wegzakken vanzelf laten terugkomen.
In het ouderdeel zie je welke letters goed gaan en welke lastig blijven. Dat overzicht kun je meenemen naar het gesprek met de leerkracht: het maakt concreet wat je thuis ziet.
Alles op deze pagina kun je hier meteen oefenen. Gratis, zonder advertenties, en alles wordt voorgelezen, dus je kind kan zelf aan de slag.
Beginnen